Korte geschiedenis
Hoeilaart ligt op 15 km ten zuidoosten van Brussel. In het midden van de 19e eeuw ontstond in deze gemeente een nieuwe vorm van tuinbouw: de druiventeelt onder glas. Het was in 1865 dat Felix Sohie er de eerste druivenkas bouwde en eens zou Hoeilaart 13.000 serres tellen en terecht de naam van "GLAZEN DORP" dragen. Gedurende 100 jaar bracht de kasdruiventeelt welvaart aan de bevolking van deze streek. Economische moeilijkheden, begonnen in 1962, brachten echter een bestendige achteruitgang in de druiventeelt teweeg, en deden het aantal serrebedrijven sterk dalen. Heel wat tuinbouwbedrijven werden verkaveld en maakten plaats voor nieuwe woonwijken.
Daarmee verloor Hoeilaart, net zoals andere Brusselse randgemeenten, een behoorlijk stuk van zijn landelijk, agrarisch karakter. Maar gelukkig is er nog dat Zoniënwoud, een prachtig stuk natuur, waarvan niet minder dan 1183 ha op Hoeilaarts grondgebied liggen en waarin het heerlijk is om te wandelen.
De kasdruiventeelt
Tegenover de neo-Romaanse Sint-Clemenskerk (1868-1874) van Hoeilaart staat een monument met het borstbeeld van Felix Sohie. Deze man is de grondlegger van de commerciële druiventeelt onder glas in ons land. Hij is te Hoeilaart geboren in 1841 en overleed er in 1929. Met een diploma van de tuinbouwschool van Vilvoorde op zak, ging hij in 1860 als tuinier werken bij baron de Peuthy te Huldenberg, waar hij ondermeer een kleine druivenserre te verzorgen kreeg. Hij zag vlug in dat de verkoop van kasdruiven en groenten een winstgevende zaak kon worden en, samen met zijn broers, Frans en Willem, bouwde Felix Sohie in 1865 zijn eerste druivenserre te Hoeilaart.
In 1866 hadden de Sohie's, zoals de Hoeilanders ze noemden, reeds elf druivenkassen. In dat jaar werd door hen ook een verwarmingssysteem uitgedacht en in hun bedrijf aangewend. De eerste druivenvariëteiten die door de Sohie's werden geteeld, waren Frankenthal en Chasselas de Fontainebleau. In 1890 kwamen zij ertoe een late variëteit, Colman, te telen.
Pas omstreeks 1880 gingen de Hoeilanders het voorbeeld van Felix Sohie navolgen. Vanaf 1900 zou de druiventeelt een voortdurende uitbreiding in de IJsevallei kennen. In 1910 telde Hoeilaart reeds 5.176 serres. Op het einde van de jaren vijftig was dit aantal aangegroeid tot meer dan 13.000 en voor de ganse streek - Hoeilaart, Overijse, Huldenberg, Duisburg en La Hulpe - zou dit aantal 33.000 bedragen.
Terecht werd Hoeilaart "het Glazen Dorp" genoemd.
Economische moeilijkheden, veroorzaakt door buitenlandse concurrentie, verhoging van de verwarmingskosten, gebrek aan bedrijfsopvolging, brachten echter sinds 1962 een bestendige achteruitgang van deze kasdruiventeelt met zich. Er verdwenen dan ook talrijke bedrijven.
Van haar kwaliteit heeft de Brabantse druif echter niets verloren. Het blijft nog steeds een ongeëvenaard tuinbouwproduct, pronkstuk van elke feestelijke fruitkorf.